meer over uit in regio venlo
aanleveren
adverteren
special
column
foto van de maand
alle culturele adressen
contact
contact
theater muziek expo
film\ jeugd plus

Column archief 2008

December: Ecce, de slopershamer doet zijn werk

Elke maand vraagt Uit in regio Venlo iemand om zijn licht te laten schijnen over kunst, cultuur of tijdverschijnsel in de regio. Deze maand is dat Thijs Pennings, verslaggever bij Omroep Venlo.

Op een flank van de Kaldenkerkerweg in Venlo liggen ze krachteloos over elkaar, vakkundig geveld door de slopershamer. Tot voor kort vormden ze een harmonieus geheel en stuwden ze duizenden onzekere pubers naar volwassenheid. Maar de stenen die lang samen het Marianum vormden, zijn nu nog slechts stenen. Natuurlijk, ze hebben hun herinneringen. Kennen als geen ander de geur van angstzweet en examenstress. Zijn ooggetuige geweest van eerste zoenen en eerste sigaretjes, opbloeiende liefdes en verslavingen. Weten wat het is om een beangstigend doolhof te vormen voor zwaar bepakte brugklassers. Maar ze zijn inmiddels vooral stenen, slordig gestapeld, fier noch statig.

Het was mijn middelbare school, het Marianum. Binnenkort moet ook m'n lagere school eraan geloven. Die maakt plaats voor een talentencampus. Dat is een soort prachtwijk, maar dan op onderwijsgebied. Let wel, ik gun de talenten hun campus. In mijn tijd noemden ze ons geen talenten, laat staan dat we een campus hadden. Je moest gewoon je best doen, dan kon je in de pauze zorgeloos voetballen op het schoolplein. Dat deden wij trouwens met tennisballen en niet in de lucht voor de Nintendo Wii. Tijden zijn veranderd en de consequentie voor mij persoonlijk is dat in een paar maanden tijd de fysieke herinnering aan veertien jaar onderwijs wordt platgebulldozerd.

Vooruitgang

Ik ben geen ouwe lul die vindt dat vroeger alles beter was. Sterker nog, ik geloof heilig in de vooruitgang. Het is een vreemd idee dat ik binnenkort op een verloren zondagmiddag niet meer langs m'n oude school kan fietsen, maar in plaats daarvan kunnen jongeren tegenwoordig kiezen uit drie prachtige onderwijscampussen. Vooruitgang is een mooi begrip.

Maar ook gevaarlijk. Het Venlose stadsbestuur dacht in de jaren zeventig vast en zeker dat een nieuw stadskantoor aan de Peperstraat vooruitgang zou brengen. U kunt het zich niet voorstellen, maar er zijn mensen geweest - niet eens zo lang geleden - die vonden dat het een goed idee was om op het Vleesplein een prieelvormige kiosk neer te zetten (voor de jeugd: de Pak Döner). En ons theater, dat nog maar vijfentwintig jaar geleden met veel bombarie werd geopend door Hare Majesteit, staat nu op de nominatie om weer afgebroken te worden. De directeur verklaarde onlangs voor de camera dat algemeen bekend mag worden verondersteld dat het gebouw niet meer van deze tijd is. De tijd vliegt, ook in de theaterwereld.

Vooruitgang blijkt een houdbaarheidsdatum te hebben. De jaren zeventig en tachtig verdwijnen in rap tempo uit het straatbeeld, om plaats te maken voor een nieuwe golf van vooruitgang. Wat overblijft, zijn oude, historische gebouwen. Producten van een tijd waarin vooruitgang geen argument was. Ze doen dienst als oude rotten in het vak, die hun enthousiaste jonge collega's zien komen en gaan. Ook nu hopen ze weer dat die goedbedoelende jonkies niet opbranden. Dat ze uitgroeien tot betrouwbare partners met een vast contract. Maar voorlopig zien ze nog alleen de kranen en de hamers.

Dat zouden ze eens in de nis van het stadhuis moeten zetten. Ecce, de slopershamer is weer terug.

 

November: Kunst zonder porem

Elke maand vraagt Uit in regio Venlo iemand om zijn licht te laten schijnen over kunst, cultuur of tijdverschijnsel in de regio. Deze maand is dat Lucia Bock, kunstwetenschapper en kunstconsument uit Well.

Je hebt ze vast wel eens gezien van die ‘artistieke types'. Alles zwart, zwart omlijnde ogen, zwart haar, een beetje sjofele, gekreukte, zwarte wapperende gewaden bij de vrouwen. Of zwarte blouses en leren broeken en liefst ook hoeden bij de mannen. Want als je kunstenaar bent, moet je herkenbaar zijn voor de buitenwereld.

Het begon al toen ik op de kunstacademie kwam hoe gekker, hoe aparter hoe beter. Zelfgemaakte kettingen van bierdopjes en slakkenhuisjes, broeken met zelfgemaakte scheuren en winkelhaken en het liefst twee verschillende kleuren sokken. Het juiste kapsel kreeg je met schoensmeer, frietvet of door een föhn te laten ontploffen. Later ontdekte ik dat er ook heel ‘gewone types' op de kunstacademie zaten, die een heel gewone spijkerbroek en een nog gewoner T-shirt droegen. Maar nu is natuurlijk de vraag: wie maakte het beste werk?

Inmiddels ben ik heel wat jaren ouder en door de wol geverfd en ik heb ontdekt dat de zwart wapperende, de schoensmeer- en de winkelhakentypes meestal minder presteren dan de ‘gewone'. Het zit namelijk zo: diegenen die al hun tijd en creativiteit steken in hun uiterlijk, verspelen hun artistieke energie voordat het echte werk gaat beginnen. Dus als ze goed en wel zijn aangekleed en uitgedost om aan de dag te beginnen, is de inspiratie op. Eenmaal in hun atelier, komen ze niet verder dan wat gemiddelde prestaties, wat gegooi met verf, wat gedoe met spuitbussen allemaal dingen die ze vijftig jaar geleden ook al deden. Zoals naakte dames met een kwast verf bewerken en ze vervolgens tegen een doek drukken.

Dus wat doe je dan als je werk niet veel voorstelt? Dan leid je het  publiek af! Zij verdoezelen het ontbreken van kwaliteit in hun werk door hun uiterlijke verschijning en door over hun werk te orakelen in onnavolgbare bewoordingen. Het is een gewiekste afleidingsmanoeuvre, ze strooien het publiek zand in de ogen waardoor de aandacht van hun werk wordt weggetrokken naar hun persoonlijkheid. Na het zand volgt dan het wassen van de oren met een flinke dosis wollige beschrijvingen van de diepere betekenis van hun werk. Dat hun formule vaak succesvol is zien we dagelijks, het zijn de schreeuwers  die de media halen, zoals onze goeie ouwe Brood (niks slechts over de doden), Ans Markus of Jan des Bouvrie.

Nu weet ik wel beter, ik stop watjes in mijn oren als ik naar een opening ga. Ik zet een zonnebril op en kijk er alleen overheen om het werk te bekijken en negeer de artistiekelingen. Ik let goed op of ik een schichtig persoon zie, iemand die het liefst achter het behang lijkt te willen verdwijnen. Saai gekleed, slecht verzorgd, ik zoek de mensen zonder porem. Degenen die er niet artistiek uit zien, maken het mooiste werk. Je moet goed opletten, want ze laten zich zelden zien. Ze lijken al hun krachten te sparen voor hun prestaties in het atelier. Maar als je de moeite neemt,  ze gaat zoeken, en je hebt er een gevonden, dan word je beloond. Want neem van mij aan: zo'n saaie grijze muis, maakt prachtige kunst en die artistieke schreeuwvogels maken kunst zonder porem.

Lucia Bock

Oktober: De strijd om het publiek

 

Elke maand vraagt Uit in regio Venlo iemand om zijn licht te laten schijnen over kunst, cultuur of tijdverschijnsel in de regio. Deze maand is dat Marnix Mulder, toneeladviseur bij de LFA.

Ik werk nu zo een anderhalf jaar als toneeladviseur in de provincie Limburg. Zeventig procent van alle voorstellingen die ik zie, is gemaakt door amateurs en de rest door professionele mensen. Het grootste verschil tussen deze twee groepen is dat de profs met hun producties geld verdienen en dat de amateurs het voor het plezier doen. Een ander groot verschil is dat de gemeenschapshuizen en de aula's in de dorpen bomvol zitten en dat de theaterzalen alle zeilen moeten bijzetten om anderhalve man en een paardenkop naar binnen  te krijgen.

Hoe komt toch dit grote verschil? Zijn amateurvoorstellingen dus gewoon beter of leuker om te zien? Heeft het publiek een verkeerde smaak? Maakt subsidie een theatermaker lui?

Er wordt in theaterland natuurlijk veel gediscussieerd over dit punt en dan valt mij toch op dat de theatervakbroeders veel met de beschuldigende vinger naar de ‘ongeletterde' en ‘ongeïnteresseerde' burger wijzen. Vaak staat een groot ego van de maker de zelfreflectie in de weg, net als de politicus lijkt de theatermaker ver van deze burger af te staan. Tijdens mijn toneelschooltijd viel mij op dat mijn klasgenoten alleen naar de cafés gingen waar andere klasgenoten zaten. Er werd veel gedronken en tot diep in de nacht over ‘het vak' gesproken.  

Op blijspelen en kluchten werd toch vooral neergekeken, het gaat allemaal om de grote Kunst.

Voor de theatermaker van nu is het wat mij betreft juist de grote kunst een publiek echt aan te spreken en te raken. Het is dan ook pure noodzaak je in dat publiek te verdiepen. Het is zeker niet makkelijk, maar wil theater voor een groot publiek overleven dan zullen de makers dat publiek bij de kladden moeten grijpen met heldere, ontroerende en boeiende theatervoorstellingen. Het is wellicht een cliché en een erg oude koe uit eenzelfde sloot maar onze vriend Shakespeare had het toch wel erg goed begrepen. Van vorsten en koningen, van bosgoden en waternimfen, hij maakte er mensen van, mensen van vlees en bloed waar de boer, de arbeider en de directeur zich allen in konden herkennen. De voorstelling en het theater waren van belang en de discussie achteraf deed niet ter zake. Inmiddels lijkt het erop alsof de intellectuele prietpraat achteraf belangrijker is dan de voorstelling. Doe je aan deze prietpraat niet mee, dan heb je zogenaamd van de kunst niets begrepen.

Iedere theatermaker zou in zijn diepste wezen de wens moeten hebben om het theater te promoten. Nu bedoel ik echt niet dat het publiek altijd behaagd moet worden, het publiek mag van mij opgevoed, geschokt, verrast en kwaad gemaakt worden. Het mag echter niet onderschat en geminacht worden. Ik denk daarom dat de profs lering mogen trekken uit wat een hardwerkende groep amateurspelers met vuur en vlam op het toneel zetten, en tevens denk ik dat amateurmakers zich nooit onderdanig hoeven te voelen ten opzichte van deze profs. Iedereen die op een theatrale wijze iets aan een publiek durft voor te schotelen zal dat dan ook voor honderd procent met lef, energie en vooral met plezier moeten doen. Als dat gebeurt wordt theater weer net zo levend als het leven zelf.

Zoals een groot wijsgeer al zei: ‘Je moet schieten anders kan je niet scoren.'

Marnix Mulder

Augustus en september 2008: 22 miljoen voor lucht

Elke uitgave vraagt Uit in regio Venlo iemand om zijn licht te laten schijnen over kunst, cultuur of tijdverschijnsel in de regio. Deze maand is dat Ruud Linssen, freelance journalist bij weekblad De Groene Amsterdammer en hoofdredacteur van cultuurhistorisch jaarboek De Buun.

Soms ontsnapt geld aan elke verbeelding. 22 miljoen euro. Voor cultuur in Venlo. Het is meer dan de grootste jackpot uit de Nederlandse geschiedenis, in acht genomen dat daar nog de belasting vanaf moest. Dit is netto. Een willekeurige Venlonaar zou er 220 jaar van kunnen leven, elk jaar een ton over de balk smijtend. Of je kan 2200 willekeurige Venlonaren op de meest exclusieve wereldreis sturen. En zo verder.

Maar dit is voor cultuur. Waar gaat het dan om?

Lucht.

Natuurlijk ook om voorstellingen, ruimte voor kunst, film, muziek - noem maar op. Met als doel dat we anders naar de wereld kijken. Dat we iets leren, over onszelf. Maar dat vind ik in dit verband niet wezenlijk. Want ik kan overal leren anders te kijken. Het is niet plaatsgebonden. En Venlo heeft al veel mogelijkheden. Musea, een theater, de Ouverture, en zo verder. Het lijkt me onzinnig om zo'n groot bedrag te investeren alleen om nog meer hiervan in de directe nabijheid te hebben.

Veel belangrijker is de lucht. Om dat uit te leggen, verwijs ik naar Berlijn. Die stad heeft in een halve eeuw onvoorstelbaar veel op z'n lazer gehad. Midden jaren negentig trof ik daar in de metro een man die frank en vrij mooie verhalen vertelde. Ik dacht bij hem: bommen kunnen deze stad niet te gronde richten want ze is niet van steen. Ze is van lucht. Het is de sfeer tussen de gebouwen die Berlijn zo groots maakt. En dan komen we bij de mensen. Die kleur geven, die van zich doen spreken, die deze lucht creëren. Een sfeer die elke stad haar karakter geeft, wat je vaak bij binnenkomst al treft.

Cultuur doet dit. Het is beweging. Cultuur trekt meer bijzondere mensen aan. Ze prikkelt mensen om zich op bijzondere wijze te uiten. Om zichzelf te vernieuwen, of terug te grijpen op het oude. En als het goed is, komt dat dus in de lucht van een stad terecht. Op dat laatste moeten Venlose cultuurdragers - wat mij betreft - afgerekend worden. De 22 miljoen euro van wethouder Peter Freij mag voor een belangrijk deel opgaan aan een nieuwbouw voor een aantal instellingen, maar dat hoeft niets af te doen aan dat doel. Verbeter de luchtkwaliteit in de stad.

Hoe moet dat dan? Dient iedereen uit de cultuursector permanent zichtbaar te zijn op straat? Natuurlijk niet - je kunt op vele manieren aanwezig zijn in de stad. Op straat, maar ook op het internet, op bijzondere locaties, in openbare discussies, met gerichte communicatie - en langs talloze andere wegen die ik niet zie. Zolang die 22 miljoen euro maar een wezenlijke verandering teweeg brengen in de stad zelf. Geen scheut Berlijnse lucht maar juist meer van Venlo zelf.

Ruud Linssen

Juni en juli 2008: Zeeuwse Limburger

Elke uitgave vraagt Uit in regio Venlo iemand om zijn licht te laten schijnen over kunst, cultuur of tijdverschijnsel in de regio. Deze maand is dat Chris Tangelder van Cultureel Podium Roepaen in Ottersum.

Vijf jaar geleden kwam ik als Zeeuw het culturele leven in Noord-Limburg binnen. Na een periode van kennismaking met bestuurders, en collega' s volgde het maken van een plan om een podium te starten in het prachtige klooster van het vroegere Maria Roepaen in Ottersum. Het bijna uiterste noorden van deze fraai provincie, op de grens van Gelderland en Brabant. Een onbekende streek, verscholen achter de Maas tegen Duitsland aan. Een hele mooie streek die veel mogelijkheden biedt, ook op het gebied van podiumkunsten, met een groot achterland.

Al snel bleken een paar zaken heel kenmerkend te zijn voor deze streek en Limburg: het Calimero-effect, men voelt zich toch net wat minder en alles wat van verder komt is beter. Verder toonden velen zich sceptisch: ‘Je denkt toch niet dat het je gaat lukken om in dit gebied een Cultureel Podium van de grond te tillen.' De houding van dat gaat toch niet lukken, dus begin er ook maar niet aan.

Tevens bleek bij een bijeenkomst bij de provincie Limburg dat zo'n beetje het culturele leven in het uiterste zuiden afspeelt en het noorden een grote cultuurarme witte vlek is. Dus laat eigenlijk maar voor wat het is.

Jammer, want juist podiumkunsten en cultuur kunnen zo een belangrijke bijdrage leveren aan de uitstraling, leefbaarheid en de kwaliteit van het leven. En bloeiend cultureel leven is een mooi visitekaartje voor Noord-Limburg.

In 2008 zie je dat er gelukkig het nodige is veranderd. Er is het bijzondere festival Klassiek op Locatie, er is een onderscheidende schouwburgprogrammering in de Maaspoort, de Zomerparkfeesten Venlo en een bloeiend Cultureel Podium Roepaen. Daarnaast goede initiatieven op het gebied van beeldende kunst. Dit alles van een niveau waar men in andere provincies zich niet voor zou schamen.

Dat er nog veel moet gebeuren, is duidelijk maar koester wat er nu al is, wees er trots op, maak er gebruik van.  Dat we veel te bieden hebben hoor ik wekelijks van nationale en internationale artiesten en publiek, die graag naar Ottersum en Noord-Limburg komen. Dan ben ik de trotse Zeeuwse Limburger en is Calimero nergens te bekennen.

Chris Tangelder

Mei 2008: Lang leve de kunst

Elke maand vraagt Uit in regio Venlo iemand om zijn licht te laten schijnen over kunst, cultuur of tijdverschijnsel in de regio. Deze maand is dat Marijke Cieraad, beeldend kunstenaar en curator van het Odapark in Venray.

Afgelopen jaar ben ik twee keer oma geworden! Van Storm en Mijne, twee prachtige kleinzonen, duidelijk aanwezig en niet meer weg te denken. Vanaf het allereerste moment word je overspoeld door ontroering en blijdschap. Tegelijkertijd overvalt je ook bezorgdheid. Twee nog zo kwetsbare mensjes die zich staande moeten houden in de grote wereld. Ik besef meteen dat daar ook voor mij een taak is weggelegd.

Al vanaf het vroegste moment begint het gevecht om vrij en onafhankelijk te willen zijn. Het is een ritueel van vallen en opstaan en over grenzen gaan voordat de eerste schreden gezet zijn. Storm stapt nu al parmantig rond en Mijne doet niet voor hem onder, hij kruipt met een sneltreinvaart door de wereld. Zo banen zij zich langzaam een eigen weg om ten slotte in de grote wereld onafhankelijk, vrij en gelukkig te kunnen zijn. Binnen de warmte van het gezin zijn de regels vertrouwd. Maar in de grote wereld leven miljoenen mensen, ieder met hun eigen cultuur, met hun eigen grenzen en die allemaal hun eigen vrijheid willen hebben. Storm en Mijne zullen dit zeker gaan ervaren. Het zal hen lukken, als ze maar voortdurend voor ogen blijven houden dat er meer overeenkomsten tussen mensen zijn dan verschillen.

Als beeldend kunstenaar en curator van het Odapark krijg ik de kans om door middel van hedendaagse kunst maatschappelijke thema's zichtbaar te maken. Kunstenaars zijn als geen ander in staat actuele onderwerpen op een eigenzinnige wijze te verbeelden en ons een spiegel voor te houden. En die spiegel moet ons steeds weer voorgehouden worden. Daar kan niet te vroeg mee begonnen worden.

Afgelopen najaar heeft Mijne de kunstmanifestatie Rock my Religion bezocht. Samen hebben we de voettocht van Oda naar Anna gelopen. We hebben een kaarsje bij de Lourdesgrot aangestoken en de kabouter zien hangen die een kleine kabouter redt. We hebben op onze blote voeten een bezoek gebracht aan de Turkse Moskee waar we getrakteerd werden op een appel. Ook de rondgang door de rijkversierde Katholieke Kerk maakte diepe indruk. We eindigden onze tocht bij het kunstwerk God & Gaz in de Annakapel waar we ons mentaal hebben bijgetankt voor de terugreis.

De ontmoeting met verschillende culturen en kunstuitingen, vooral samen met Mijne heef me goed gedaan. Je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen.

Marijke Cieraad

April 2008: De aftakeling van de verbeelding

Elke maand vraagt Uit in regio Venlo iemand om zijn licht te laten schijnen over kunst, cultuur of tijdverschijnsel. Deze maand is dat Ankie Rutten van CultuurPAD, een samenwerkingsverband van 46 basisscholen uit negen Noord-Limburgse gemeenten op het terrein van cultuureducatie in het primair onderwijs.

Het lijkt wel alsof onze verbeelding vlakker wordt, naarmate we ouder worden. Probeer eens ‘Pictionary' te spelen met een groep volwassenen. De opdracht is een auto te tekenen. Op het papier zie je het karkas van een Mercedes Benz verschijnen. Op de motorkap prijkt de ster. De deurstijlen worden ingekleurd. De deuren van een klink voorzien. Het stuur wordt aangebracht en tot slot een mannetje achter het stuur getekend. Oh, en niet geheel onbelangrijk, de uitlaat inclusief wolkjes.

Speel nu hetzelfde spelletje eens met kinderen. Wie schetst je verbazing? Met een vierkant en twee cirkels als wielen alleen ben je er ook. Het is een auto!

Wat heerlijk, die ongecompliceerde gedachten van kinderen. En wat een besef te realiseren dat je verbeelding enigszins verdwenen is en dat je veel te moeilijk denkt.

Laten we vanaf nu gewoon observeren zonder ‘bagage' en met een onbegrensde fantasie. Teken een tafel gewoon zwevend in de lucht. Stop daarbij een nijlpaard in een cactus en verklaar dit alles tot ‘kunst'. Ga naar een theater en verwonder je over het ‘rode pluche' van de stoelen en kijk ongegeneerd wie er achter je zit. Ga helemaal uit je dak met een dansje. Schrijf je bij in voor cursus theater en durf eindelijk eens die microfoon te pakken bij het karaokefeest van de buurt. Gooi die rugzak af en laat je fantasie vrij. Daarin schuilt, denk ik, de kracht van het genieten. Het mag! Geniet er zo lang mogelijk van. De aftakeling komt vanzelf. Wil je die verbeelding zo lang mogelijk behouden en stimuleren? Ga dan kijken naar kinderen en leer opnieuw hoe je een auto hoort te tekenen.

Ankie Rutten

Maart 2008: Van oude menschen en de Boekenweek

Elke maand vraagt Uit in regio Venlo iemand om zijn licht te laten schijnen over kunst, cultuur of tijdverschijnsel. Deze maand Kees Verbeek, schrijver, acteur en redacteur van dit blad.

Mijn grootouders waren ouden van dagen indertijd. Bejaarden. Die woorden zijn in onbruik geraakt: bejaard is verjaard.

Ouden van dagen. Een mooi begrip, dat precies zegt wat het moet zeggen: mensen met veel dagen op de teller. Het komt al voor in de Statenvertaling. In het boek Daniël is de Oude van Dagen God zelf op de jongste dag. Hij is recordhouder, want meer dagen na de schepping kun je niet scoren. In het boek Job is sprake van mensen die ouder van dagen zijn dan de hoofdpersoon. Je ziet ze hun dagen en rimpels tellen als laatste centen: ik heb er meer.

Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan.

De CPNB heeft de derde leeftijd - die begint bij zestig jaar - gekozen als thema voor Boekenweek 2008. Een directe aanleiding is er niet, of het moet het feit zijn dat een kwart van de volwassen Nederlanders zestig of ouder is. Een tsunami van dynamische dagentellers.

Ook in de letteren gaan veel oude menschen voorbij, dus leesvoer genoeg. Daaronder opvallend veel granny power, zoals CPNB-directeur Henk Kraima het noemde tijdens de perspresentatie van de Boekenweek: boeken van vrouwen die de weg naar het einde afbluffen met ‘lef, lust en nieuwe ambitie'.

Mijn grootouders zouden daarvan opgekeken hebben. Ze waren al lang blij dat ze het zo ver geschopt hadden. Dat ze niet in wieg of kraambed waren gesmoord. Dat ze bezetting en baas hadden overleefd. Ze hadden geen schrik voor hun hoge leeftijd. Ten onrechte, blijkt nu. De oude van dagen van vandaag behoort zich terdege voor te bereiden op het klimmen der jaren. Met bijstand van mental coaches, diëtisten en mantelzorgers, want oud wordt men niet zomaar. Hij moet aquajoggen en nordic walken. Hij moet hersengymnastiek doen, want zo niet jong van lijf en leden, zou hij toch minstens jong van geest moeten zijn.

U wordt oud! Te wapen! Mobiliseer! De senior behoort niet zijn dagen te tellen, maar zijn zegeningen: de kilometers die hij dagelijks doordraaft, de heuvels waartegen hij omhoog fietst en oma die hij nog wekelijks bestijgt. Intussen kleedt op televisie een oude vrouw zich uit tegen de ontmanteling van de ouderenzorg.

Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan.

Mijn dagen tellen al aardig op, maar joggers, walkers en hersengymnastiekers laat ik voorbijgaan. Als hun dagen ze hebben ingehaald, sluit ik me wel weer bij ze aan. Tot die tijd lees ik graag een boek.

Kees Verbeek

Februari 2008: WEBKULT

Elke maand vraag Uit in regio Venlo iemand om zijn licht te laten schijnen over kunst, cultuur of een ander tijdverschijnsel in Noord-Limburg. Deze maand is dat Frans Pollux, tekstschrijver, journalist, frontman van Neet oét Lottum.

Zoals kroegen bewijzen populair te zijn door vol te staan, zo toont de volheid van dit blad aan dat de regio Venlo bruist. En da's een klap in 't gezicht van cultuurpessimisten - die evenwel taai zijn. Eén argument konden ze immers blijven gebruiken: de nauwelijks te controleren bewering dat gras elders groener is. 'In Mestreech is 't op maondaagaovend wáál gezellig.' Dat soort retoriek.

Sinds kort is het afgelopen met die sprookjes. Er is een ondubbelzinnig instrument uitgevonden met absolute zeggingskracht. Een briljant stukje menselijk vernuft, waarmee de groenigheid van het gras eindelijk gemeten kan worden. Het produkt - gratis ter verspreiding op computers aangeboden - heet Google. En het werkt als volgt.

Je voert 'venlo' en 'cultuur' in, drukt op enter en ziet hoeveel de mensheid te melden heeft over die unieke combinatie. Uitkomst: 1.420.000! Ongelooflijk. Anderhalf miljoen wat, doet niet terzake. Het gaat erom dat de combinatie 'roermond' en 'cultuur' een schamele 1,3 miljoen ietsjes oplevert. En Heerlen ondergraaft de vermoede plaatselijke renaissance met slechts 434.000 ietsjes. Venlo rulez.

Het allermooiste is dat Google laat zien hoe ongegrond het verderfelijke chauvinisme van Maastrichtenaren is. Denken zij dat 't beste in welke cultuurcategorie dan ook in Maastricht te vinden is, in werkelijkheid verliezen ze het dik. Nog geen 520.000 ietsjes - de definitieve doodsteek voor Venlose cultuurpessimisten.

We wonen in de culturele hoofdstad. Hoe bizar ook: typ 'amsterdam' en 'cultuur' in en je scoort niet eens de helft van de Venlose ietsjes. Het gras is nergens groener!

Overigens speelt hoofdlettergebruik een rol, en toont de combinatie 'maasbree' en 'cultuur' aan dat Google niet feilloos is. Niet verklappen aan Maastrichtenaren.

Frans Pollux